Vlucht uit Italië

“Ik ben verliefd op mijn land, maar ik ben blij dat het een latrelatie is. Zo kan ik verliefd blijven.” De Siciliaanse documentairemaakster en journaliste Daniela Tasca (48) heeft zich als cultureel vluchteling gespecialiseerd in de geschiedenis van Italianen in Nederland.

“Een generaal van Napoleon verwoordde het ooit mooi: ‘Voor mijn land zou ik sterven, zolang ik er maar niet hoef te wonen.’ Het is mijn cultuur, mijn leven, maar niet mijn land. Ook nu hou ik het daar geen zes weken uit.” Desalniettemin zit Italië diep in haar hart verankerd. Misschien wel dankzij Daniela’s zelf aangemeten status van cultureel vluchteling. Van haar vlucht naar Amsterdam heeft ze dan ook haar levenswerk gemaakt.

We zitten in de delicatessenzaak van haar man, Casa Di Maggio, aan het Surinameplein in Amsterdam. Daniela’s enorme donkere krullenbos wuift mee op de uitbundige lachsalvo’s die ons gesprek larderen. Haar Nederlands is na 26 jaar feilloos, maar met een stevig staccato Italiaans accent.

Waarom ben je gevlucht?

“Ik ben opgegroeid met de sirenes van de escortes van rechters en politici. In het hart van Palermo was de maffia heel prominent aanwezig toen ik jong was. Gewelddadig. De mafffiacultuur heeft ons Sicilianen geleerd dat wij als individu niks voorstellen als we niet de juiste mensen kennen. Als je er niet aan meedeed had je weinig kans van slagen en kreeg je niet de kans je dromen na te jagen.” Ze grijpt naar haar keel en vervolgt: “Dat benauwde mij. Ik was behoorlijk fel toen ik nog jong was. Het zou me nooit zijn gelukt om me aan te passen aan een onderdrukt leven en vluchtte dus voor mijn eigen cultuur, voor mijn eigen land. Daar voel ik me soms schuldig over. Misschien had ik er mooie dingen kunnen doen…of mezelf laten vermoorden.” De lach die daarop volgt verzacht haar cynische laatste woorden.

Ze valt even stil:”Ik word er altijd een beetje verdrietig van, het raakt me nog steeds, zoals je hoort.” Ze tuurt naar het beslagen raam. “Het land heeft een rijke geschiedenis”, vervolgt ze. “Maar de tijd is daar stil blijven staan. Het enige wat er is veranderd, is mijn haar dat grijzer is geworden, net als dat van mijn familie. Verder blijft alles hetzelfde. Ik ben blij dat ik ben weggegaan.” Ze vertrok in 1989 als 22-jarige Erasmusstudent naar Amsterdam. Wat een periode van drie maanden moest worden, liep uit op 26 jaar. Haar eigen migrantenbestaan was aanleiding om zich ook het leven van andere migranten te gaan verdiepen. Daniela maakte een  documentaire en boek over een Italiaanse enclave in Zaandam, genaamd ‘De Spaghettiflat’ en later richtte ze het crossmediaal project 1001 Italianen op, waarmee ze de geschiedenis van Italianen in Nederland in kaart brengt. Bovendien schrijft ze nog een boek voor de Italiaanse ambassade over een paar eeuwen ‘Italianen in Nederland’. Je kan haar met een gerust hart migratiedeskundige noemen.

Daniela is nu één van de circa 44.000 Italianen die officieel staan ingeschreven in Nederland. Onofficieel wordt er rekening gehouden met het dubbele aantal. Daar heeft ‘migratie 2.0′ voor gezorgd, legt ze uit. “Met goedkope tickets vliegen Italianen naar Nederland om een tijd zwart werk te verrichten in de horeca. Internationale forensen.” En daar zijn er veel van, want sinds de crisis uitbrak valt er in Italië niets meer te verdienen, legt ze uit, zeker als je geen diploma op zak hebt.  Naast deze “nieuwe gastarbeiders” zijn er uiteraard ook hoogopgeleide migranten, expats, kunstenaars en creatievelingen naar Nederland overgewaaid.

Het is niet voor het eerst dat er een grote groep Italianen naar Nederland is gekomen. Geanimeerd vertelt ze over de vrijgezelle casanova’s die Nederland onveilig maakten in de jaren 50 en 60. “De Nederlandse overheid zocht handen voor het zware werk in de mijnen, bij de Hoogovens en op de scheepswerven. De mannen sliepen in woonoorden, op de schepen of in pensionnetjes waar ze liefdevol werden opgevangen door Nederlandse families. Ze glundert: “Nederland wilde helemaal niet dat Italianen met hun hele gezin hierheen kwamen, want dan zouden ze dadelijk nog blijven ook, maar ze hadden waarschijnlijk niet voorzien dat hun eigen blondines hun telefoonnummer op de zongebruinde armen van die casanova’s zouden schrijven. Ze brachten het hoofd van die meisjes behoorlijk op hol, want ook al waren het arbeiders, ze droegen toch mooie pakken, hadden brillantine in hun haar en vertelden hen hoe mooi ze waren.”

Wat is het grote verschil tussen de Italiaanse gastarbeiders van toen en van nu?

“In de jaren 50 waren ze welkom, hadden ze een contract op zak, een plek om te wonen en een sociaal vangnet in de vorm van de overheid of het Italiaans consulaat. Nu werken veel Italianen zwart in de horeca. Zij worden uitgebuit, wonen in slechte huizen, betalen veel geld voor een kamertje en hebben weinig sociale contacten. Dit is bijna slavernij. Maar voor hen is alles beter dan Italië, waar ze geen geld meer kunnen verdienen. Via de horeca proberen ze hier om contacten op te doen en terug te komen op hun eigen niveau.” Elke keer als ze teruggaat naar Sicilië, vertellen vrienden en familie dat ze er goed aan heeft gedaan om te emigreren. ‘Hadden ze het zelf maar na de crisis gedaan’, hoort ze hen vaak zeggen.

Haar eigen ouders hebben nooit overwogen Sicilië te verlaten. “Mijn vader heeft tijdens de tweede wereldoorlog twee jaar gevangen gezeten in Duitsland. Daarna besloot hij voor altijd op Sicilië te blijven. Hij was absoluut tegen migratie, terwijl mijn moeder de enige in haar familie was die niet emigreerde. Voor mijn vader waarschijnlijk.” Ze kijkt naar haar echtgenoot die druk bezig is in de keuken. Een kleine, vlugge man met een staartje boven op zijn hoofd. Na vijftien jaar in Nederland, kwam ze hem tegen tijdens een vakantie op Sicilië. Hoewel ze elkaar al van jongs af aan kennen en in hetzelfde dorp vakantie vierden, sloeg de vlam toen pas in de pan. Wat als een zomerliefde begon, leidde tot zijn verhuizing voor haar naar Amsterdam. “Wel een eer, hè?”, verzucht ze.

Ben je toch, net als die blondines in de jaren vijftig, voor de Italiaanse charme gevallen…

Ze schiet in de lach en klapt in haar handen. “Het was niet de bedoeling om na vijftien jaar in Nederland met een Siciliaan uit mijn eigen dorp te trouwen. Ik wilde een blonde god die een beetje bot is, maar mijn man heeft me wel dicht bij mijn Siciliaanse ‘roots’ gehouden. Ik mis mijn land vaak. De bergen als je komt aanvliegen, maar ook de geur van Palermo; een mix van eten, koffie, gebakken olijfolie, veel verkeer en de vismarkten. Soms denk ik het ook in Amsterdam te ruiken en dan loop ik spoorslags de geur achterna.” De latrelatie waar ze het in het begin over had, blijkt toch intiemer dan ze zei. “Als je geld en geen zorgen hebt, is het leven in Sicilië zo mooi. Ik vind het heerlijk om ’s avonds na het eten met een cocktailtje of een ijsje urenlang te kletsen en te discussiëren. Wat voor jullie dan op schreeuwen lijkt, is voor ons praten. Ik vind het ook lekker om zelf in zo’n gesprek een beetje op drift te raken. Sicilianen zijn vulkanische mensen, maar ze zijn niet allemaal zoals de Etna, die zo nu en dan ontploft en waaruit de grootste schoonheid naar boven komt. Velen van hen zijn als de Vesuvius, waarbij schoonheid en talent slapend wordt gehouden en nooit echt tot zijn recht mag komen. Daniela is ervan overtuigd dat emigratie daarvoor een uitkomst is. “Zowel voor een land, omdat dat verborgen talent alsnog naar boven komt, als voor de persoon zelf. Want migratie betekent emancipatie en daaruit komt ontwikkeling voort. We hebben niet voor niets jullie land geciviliseerd met olijfjes, kazen en ijs”, zegt ze eigenwijs. Ze kijkt me spottend aan en plots kan ik me alles voorstellen bij dat felle Siciliaanse meisje dat haar ei niet kwijt kon in haar eigen land.

 

Gepubliceerd in De Smaak van Italië, mei 2015