Siciliaanse geheimen

“Ik wacht wel even met bestellen tot mijn zoon hier is”, zegt de Siciliaanse oud-mijnwerker Giuseppe Pennino als ik hem koffie aanbied. Hij wil eerst weten waar ik zijn zoon, advocaat Roberto Pennino, van ken. Daarop volgt een verificatie bij zijn zoon. Het typeert het gesprek wat volgt; over geheimhouding, aanpassingsvermogen en de naweeën van opgroeien in het hart van de Siciliaanse maffia.

“Het was vies weer. Mistig. De reis van Palermo naar Nederland duurde lang”, herinnert Giuseppe (70) zich. Hij was 17 toen hij in het voorjaar van 1963 naar Limburg vertrok. “Wat viel je op toen je in Nederland aankwam?”, vraagt Roberto (44). “Het was indrukwekkend. Toen we vanuit Maastricht met de trein verder reisden richting Heerlen zag ik in de verte al de schoorstenen van de mijnen met hun dikke rookpluimen overal bovenuit steken. Ik kwam niet naar Nederland om te werken, zoals mijn broer, maar om bij hem vakantie te vieren. Van mijn moeder had ik een zak met geld meegekregen. ‘Geniet ervan’, zei ze bij mijn vertrek.’ Toen ik aankwam gingen we direct eten. Friet met halve haan”, grinnikt hij. Ondanks het lachje zie ik terughoudendheid in zijn lichtblauwe ogen. “Dat is wel even anders dan wat je gewend was”, lacht Roberto die probeert om zijn vader wat te laten ontspannen.

Waarom besloot u te blijven?

“Ik was een avonturier en mijn broer woonde en werkte hier ook. Nederland was een paradijs in vergelijking met het eenvoudige Prizzi waar ik vandaan kwam. En ja, de blonde meisjes hè. Ik dacht: ‘Waar ben ik beland?”, gnuift hij. “O’ja natuurlijk, ik zat er al op te wachten”, zegt Roberto hoofdschuddend. Er verschijnt een jongensachtige lach op zijn vaders gezicht. “Via mijn broer ben ik aan werk gekomen. Toen hij nog in Messina woonde had hij het financieel moeilijk en kon hij zijn gezin nauwelijks onderhouden. Op dat moment werden er mannen gezocht die in de Nederlandse mijnen wilden werken. Ze gingen met luidsprekers door de straten ‘Vuoi lavorare? (wil je werken?). Kom naar Nederland!’ Je kreeg je reis vergoed, 40 gulden reisgeld mee en in Heerlen een dak boven je hoofd, eten, een wasserette waar je gebruik van kon maken en je kreeg betaald om Nederlands te leren, 7,50 gulden per les. Hij besloot daarop in te gaan.”Na een paar zomermaanden in Limburg te hebben doorgebracht, besloot ook Giuseppe dat zijn toekomst hier lag, niet op Sicilië. “Ik begon direct met de Nederlandse lessen. Het is belangrijk dat je je aanpast aan de situatie. Het zou nogal stom zijn om in de mijnen te gaan werken en de taal niet te spreken. Dat is gevaarlijk”, legt hij uit met een accent wat het midden houdt tussen Italiaans en Limburgs.

Heeft u lang ondergronds gewerkt?

“Hooguit een week. Ik hield het niet vol. Je lag als muizen in de val op je buik te werken. Ik heb om overplaatsing gevraagd en mocht twee jaar bovengronds in de wasserette werken waar de kolen schoongemaakt werden. Het was stoffig en vies”, herinnert Giuseppe zich. “Had je geen masker op?”, vraagt zijn zoon. “Nee, ze kwamen er pas veel later achter dat dit werk slecht voor je gezondheid is.” In een Heerlense ijssalon leerde Giuseppe al snel zijn toekomstige vrouw kennen.

Was het lastig omschakelen van de Siciliaanse naar de Nederlandse gewoontes?

“Ik vond het moeilijk dat mensen hier van alles van je wilden weten. Op Sicilië vertel je elkaar niet alles. Daar houd je juist het meeste voor jezelf”, zegt Giuseppe alsof het vanzelfsprekend is. “Zo ben ik ook door mijn vader opgevoed. Alles wat binnenshuis werd besproken, bleef binnenshuis”, beaamt Roberto. “Je weet nooit wie er meeluistert”, verdedigt zijn vader zich. “Weet je nog dat we in Corleone dat barretje binnenstapten, pap? Alle gesprekken vielen stil totdat we onze koffie op hadden en waren vertrokken”, zegt Roberto. “Maar natuurlijk, ze kenden ons niet. Wij waren indringers, ook al ligt Prizzi maar een paar kilometer verderop”, zegt Giuseppe tegen hem. Hij vervolgt: “Vroeger als er schoten vielen op de piazza of als er een lijk op straat lag, keek je niet om. Niet om laf te zijn, maar omdat ze anders misschien achter jou aangingen. Dus ik heb geleerd me met mijn eigen zaken te bemoeien.” Roberto: “Wantrouwen wekt een geslotenheid in de hand. Dat heb ik van hem overgenomen en dat is niet altijd even handig in de privésfeer.”

Maar in uw werk als advocaat waarschijnlijk wel…

“Absoluut. Dan werkt wantrouwen in je voordeel, als je het tenminste goed weet in te zetten. Ik ben iemand van: ‘eerst zien dan geloven’. Maar ja, is dat nature of nurture? Ik weet het niet. Het zit in de Siciliaanse cultuur en ik ben nu eenmaal half Siciliaans”, zegt Roberto. “Of het te maken kan hebben met dat de Sicilianen altijd overheerst zijn door andere culturen en uiteindelijk door hun eigen volk? Hmm, interessante link die je legt.” Zijn vader denkt hardop mee: “De Moren en de Noormannen zijn wel goed voor ons geweest. Zij waren er niet alleen op uit om het eiland leeg te roven voor eigen gewin, zoals bijvoorbeeld de Fransen, Spanjaarden en uiteindelijk ook de maffia dat wel waren.

Jullie hebben beide felblauwe ogen. Is dat een overblijfsel van de Noormannen of de Fransen?

“We waren met zes kinderen thuis. Drie van hen hebben blauwe ogen en licht haar, net als mijn moeder. De andere drie zijn net mijn vader en hebben een Moors uiterlijk”, zegt Giuseppe. “Je ziet dus niet alleen al die veroveringen terug in de bouwstijl, maar ook in de samenstelling van hun inwoners”, lacht junior. Hij gaat verder: “In Palazzo Adriano, een dorpje vlakbij Prizzi, zie ik veel mensen met een hele bruine huid en knalgroene ogen. Dat is een mooie combinatie en waarschijnlijk ook een gevolg van de geschiedenis van het eiland. Sicilië was natuurlijk de graanschuur van Europa en de inwoners hebben zich altijd moeten aanpassen aan nieuwe overheersers. Dat zit erin gesleten. Hoewel dat de laatste decennia wel minder is geworden. Meer mensen durven zich bijvoorbeeld uit te spreken tegen de maffia. Dat was in de jaren tachtig ondenkbaar”, zegt Roberto.

Zijn de corruptieschandalen en de maffia niet juist heel interessant voor u en een goede reden om daar uw werk te doen?

“Dat dacht ik vroeger ook, totdat ik in Bologna bij een advocatenkantoor stage liep. Ik kwam er binnen op het moment dat er een grote verandering in het rechtsysteem plaatsvond. Sommige zaken bleven wel tien jaar op de rol staan bij de Tribunale (rechtbank), waarop ze iets bedachten. Ze stelden een soort kantongerecht in, genaamd ‘Giudice di Pace’, om de doorstroom van relatief eenvoudige zaken te bevorderen. Maar heel typerend voor Italië; ze waren vergeten rechters aan te stellen. In sneltreinvaart moesten ze toen iets verzinnen. Iedereen met een rechtenopleiding kon zich ineens aanmelden. Kort daarna zat ik in de rechtzaal toen een nieuwe rechter aan de advocaten vroeg: ‘Zo, ik heb alles gelezen. Wat doet een rechter in zo’n geval als eerste?’ Ik wist niet wat ik hoorde. Ook heb ik ooit bij een getuigenverhoor gezeten die in de kantine werd gehouden, omdat de rechter geen tijd had. In Nederland gebeurt zoiets onder ede in een rechtzaal. Hier hoorde je overal serviesgekletter en het gepraat en gelach van andere mensen. Voor de buitenwacht klinkt dat misschien leuk, maar het is voor mij geen manier van werken. En daarbij zou ik geen zin hebben om onder begeleiding van een politie-escorte overal naartoe te gaan. Je bent je leven niet altijd zeker als advocaat of openbaar aanklager.” Zijn vader luistert rustig naar zijn zoons ervaringen. “Zullen we wat zoets bestellen?”, vraagt Roberto ineens. “Ik lust wel een cannolo ofzo”, gaat hij verder. Giuseppe glimlacht en bestelt een cappuccino gemaakt van een koffiemelange uit Sicilië. “Maar veel aan Italië is goed hoor”, zegt de advocaat terwijl hij een grote hap van de Siciliaanse specialiteit neemt. De ricotta loopt er aan de andere kant weer uit. “Ik ben er ontzettend graag. Afgelopen weekend zat ik nog in Bologna en heb daar weer heerlijk gegeten.” Zijn lach spreekt boekdelen.

Gaan jullie ook nog vaak terug naar Sicilië?

“Mijn zonen hebben een huis in Prizzi gekocht. Een landhuisje met druivenranken en twaalf olijfbomen”, zegt Giuseppe trots. “We hebben het gekocht, omdat we wilden dat papa een eigen plek in zijn dorp zou hebben voor het geval zijn oudste broer er straks niet meer is. Dan heeft hij iets om naar terug te keren. Vroeger vonden mijn broer en ik het er saai, maar met een druk werkend bestaan en ieder een eigen zaak is die rust nu juist heerlijk. Ik hou van de geur van de plaatselijke kruiden en van het geluid van schapen om me heen terwijl de enige zorg die je er hebt is: waar haal ik deze ochtend mijn brood vandaan?”, zegt Roberto. “Sicilië is mooi. Een prachtig land, vol geschiedenis. Maar praat er nooit hardop over, je weet niet wie er meeluistert!”, besluit zijn vader. Als we afscheid nemen loopt Giuseppe mee naar de trein en zegt: “Ik vond het leuk je te leren kennen.” De terughoudendheid die aan het begin van het gesprek in zijn ogen stond geschreven blijkt gaandeweg verdwenen.

Gepubliceerd in De Smaak van Italië maart 2016