Rome Stad van contrasten

In Rome verandert alles zodat er niets verandert, zegt Laura Sciotti die door haar Romeinse vader dertig jaar van haar leven in de eeuwige stad doorbracht. Een gesprek over het échte Rome dat volgens haar gedoemd is om altijd dezelfde stad te blijven.

Telkens als ik de trein naar het centraal station Termini neem zie ik verpauperde buitenwijken vol mistroostige flats voorbij glijden en geruisloos overgaan in de bijna onaardse schoonheid van de historische binnenstad. Armoede versus rijkdom. Telkens weer vraag ik me af of die twee uitersten samenkomen en of er ook echt iets te zien valt buiten het historisch centrum. Laura Sciotti (53) groeide tot haar zesde op in Dordrecht waarna ze dertig jaar in Roma Nord woonde. Na enkele jaren voor de Nederlandse ambassade in de eeuwige stad te hebben gewerkt verhuisde ze naar Milaan toen ze een nieuwe post kreeg toegewezen bij het Nederlandse consulaat-generaal. Missen doet ze Rome niet: “Het is nooit mijn stad geworden, daarvoor was ik teveel een outsider.”

On-Romeins

Haar ogen zijn van het indringende groene soort. Edelmoedig en gewelfd. Haar lange donkere haar omringt een bleek gelaat. De Nederlandse genen die ze van haar moeder kreeg uiten zich in haar feitelijke manier van spreken. Ze herinnert zich de avond voorafgaand aan de verhuizing als de dag van gisteren. “Voor mijn vader was de cirkel rond toen we naar zijn geboortestad vertrokken. Ik was zes jaar en in tranen toen we ons huis in Dordrecht achterlieten en in de zomer van 1969 naar Rome verhuisden. De stad was een heksenketel die overkookte door stank en herrie”, vertelt Laura. “We woonden in het appartementencomplex waar mijn oma ook woonde, in de wijk Monte Mario in Roma Nord. Ondanks dat ik jarenlang heimwee naar Nederland heb gehad, bracht de verhuizing ook voordelen met zich mee. Ik was onbevooroordeeld naar anderen, omdat ik de reputatie van alle wijken niet kende, waardoor ik een on-Romeinse vorm van nieuwsgierigheid naar mensen uit andere delen van Rome ontwikkelde”, lacht ze.

Elitewijk

‘Zijn de Romeinen dan zo gesloten?’, vraag ik. “Of het nu werk of sociale activiteiten zijn, iedereen blijft in zijn eigen wijk. Deels omdat het een hele grote stad is, waar het openbaar vervoer zeer beperkt en nooit op tijd is, en deels omdat het historisch cultureel bepaald is. Hierdoor blijft de sterke sociale gelaagdheid van de bevolking bestaan.” Het verschil zie je op veel vlakken terug volgens Laura: “In Roma Nord behoorden wij tot het ‘gegoede deel’ van de stad. Daar was je voor de voetbalclub Lazio in plaats van dat je A.S. Roma fan was. A.S. Roma was volkser en Lazio elitairder. In Roma Nord waren mijn vrienden lid van één van de twee beroemde canottieri, de roeiverenigingen aan de Tiber of de Aniene, waar men zeer stricte toelatingseisen had. Door de lobbycultuur tussen de vaders bracht dat privileges en een fijn netwerk met zich mee. Goed voor je toekomstige carrière. Maar minder welgestelden mochten daar niet van profiteren. Om terug te komen op je beginvraag: nee, de uitersten die jij ziet mengen zich nauwelijks. Ik heb de grootste moeite gehad om te integreren doordat ik geen gesloten cultuur gewend was. Mijn vader was dan wel Romeins, maar mijn moeder niet. Wij zouden nooit één van hen worden.”

Statische schoonheid

‘Dat klinkt behoorlijk conservatief’, constateer ik. “Als je in de mooiste stad ter wereld bent geboren, afstamt van een keizerrijk, met een geweldig klimaat en veel culturele stimulansen heb je de neiging om er te blijven hangen. Zelfs iedere buitenlander die naar Rome gaat leeft in een roes van verliefdheid omdat het zo mooi is. Die schoonheid absorbeert alle aandacht, maar het stimuleert je niet om verder te kijken dan je neus lang is. Schoonheid is statisch en daaruit ontstaat fatalisme. Het heet niet voor niets de eeuwige stad. De Romeinen voelen zo sterk dat ze afstammen van het Romeinse Rijk dat het ze tot stilstand brengt. In Italië hebben we het gezegde: ‘cambia tutto per non cambiare niente’. Ofwel alles wordt aangepast zodat er niets hoeft te veranderen. Telkens als er in de binnenstad gebouwd wordt stuiten ze op archeologische resten waar omheen moet worden gegraven en gebouwd. Een metrolijn aanleggen is een drama, omdat ze alles willen behouden zoals het ooit was. Vanuit een historisch oogpunt valt daar iets voor te zeggen, maar die statische houding maakt de stad er niet opener en mondialer op.”

Mussolini

Natuurlijk is niet elke wijk in Rome doordrenkt van geschiedenis. Veel stedelijke vernieuwing vond na de Tweede Wereldoorlog in de buitenwijken plaats. ‘Wat moet ik echt gezien hebben als ik me buiten het centrum bevind?’, vraag ik haar. “Het laatste grote project van stedelijke planning die de moeite waard is om te bezoeken ligt in Roma Sud, de wijk EUR, die in het Mussolini-tijdperk is gebouwd. Vanuit een architectonisch oogpunt gezien is het prachtig. Net zoals het Museo della Civiltà Romana wat daar ligt. Het is niet het eerste museum waar je aan denkt als toerist, maar als je het Romeinse Rijk wil begrijpen dan is die wijk in combinatie met het museum the place to be. Of ik daar in mijn jeugd wel eens kwam? Doordat ik per ongeluk op een school in het centrum zat leerde ik ook mensen uit andere quartieri, wijken, kennen en had ik een vriendje uit Roma Sud. Die school zorgde ervoor dat ik buiten mijn wijk kwam.”

Het groene Rome

Haar verhaal is een pleidooi om niet alleen de sprookjesachtige binnenstad te bezoeken, maar om alle lagen van de stad te leren kennen. Ze raadt iedereen dan ook aan om eerst het etruskisch museum in de Villa Giulia te bezoeken en daarna het treintje te nemen naar Parco di Veio, een beschermd archeologisch gebied in Roma Nord waar je door de etruskische opgravingen loopt. Het ‘groene’ Rome met alle natuurparken en de op tufsteen gebouwde dorpjes Sacrofano en Castelnuovo di Porto waar deze trein je naartoe neemt zijn ook meer dan de moeite waard volgens Laura. Ondanks dat Rome nooit haar thuis is geworden praat ze er liefdevol over. “Ach weet je, Rome is misschien nooit helemaal mijn stad geworden, maar het is ongeëvenaard prachtig en ik kom er nog steeds graag.”

Dit artikel verscheen in De Smaak van Italië  januari 2017