Napolitaans Jongensboek

“Eigenlijk ben ik bezig met een jongensboek waar elke dag een bladzijde bijkomt.” Giuseppe Cavallaro (41) is oprichter en directeur van de Italiaanse modeketen Cavallaro Napoli. De eerste bladzijde schreef hij zo’n 14 jaar geleden toen hij vanuit zijn kofferbak stropdassen verkocht aan vrienden bij de lokale voetbalclub.

“In Italië voel ik me altijd underdressed. Er is daar altijd een baas boven baas. Tot in de puntjes verzorgd, leunt hij ontspannen achterover in de diepe, bruine fauteuil. Een charmante verschijning, deze halve Napolitaan. Suède schoenen, een donkerblauw gebreid vest op een nette jeans en een grijze wollen stropdas om de preppy Italian look af te maken. “Morgen vlieg ik weer naar Italië om ideeën op te doen voor de volgende collectie. Milaan is zo’n stad waarbij je alleen maar op een terrasje hoeft te gaan zitten en je ziet de inspiratie letterlijk voorbij lopen.”

Van een kofferbak vol stropdassen naar een eigen modeketen. Hoe heb je dat voor elkaar gebokst?

“Eind jaren negentig was ik op vakantie in Napels. Ik kocht twintig stropdassen van een Napolitaan en verkocht ze aan vrienden van de voetbalclub en collega’s. Van de winst vloog ik terug voor een nieuwe lading. Toen ik na een reorganisatie mijn baan kwijtraakte, wist ik dat dit het moment was om iets nieuws te beginnen. Ik begon met een klein winkeltje in Utrecht waar we voornamelijk stropdassen verkochten. Van de allerlaatste vijfduizend euro kocht ik in Napels nog een partij shirts erbij. Ik vloog echt met buikpijn terug naar Nederland. De omzet van de eerste week weet ik nog precies. Op maandag en dinsdag verkocht ik helemaal niets. Op woensdag één shirt. De zaterdag was redelijk.” Hij lacht, “als ik die omzet vergelijk met nu…poeh wat was het dan rustig toen.”

Alleen stropdassen en wat overhemden verkopen is ook behoorlijk riskant…

“Het is heel Italiaans”, verdedigt hij zich. “In Italië zijn er winkels waar bijvoorbeeld alleen mozzarella of sokken worden verkocht. Links en rechts werd het me wel afgeraden, hoor. Het ging zo slecht in de kledingbranche. Maar na anderhalve maand liepen de eerste heren met hun nieuwe pak over de arm binnen voor een bijpassend overhemd en das. Ik had toen nog als enige zo’n groot assortiment aan stropdassen en getailleerde overhemden met hoge boorden. Met die shirts zijn we echt groot geworden. Maar het omslagpunt kwam toen ik niet meer afhankelijk was van de keuze van de fabrikanten doordat de productieaantallen groot genoeg waren om zelf te gaan ontwerpen.”

Waar komt die liefde voor mode vandaan?

“Mijn vader behoorde tot de eerste lichting gastarbeiders in de jaren ’60. Hij liet toen al maatpakken maken, terwijl veel Nederlanders nog op klompen liepen. Hij liep er altijd tiptop bij. Van hem heb ik het modegevoel meekregen. De handelsgeest en ondernemingsdrift heb ik van mijn moeders kant. Ik spreek inderdaad in de verleden tijd, ze zijn beiden overleden. Mijn vader heeft de eerste drie winkels nog wel meegekregen, maar het grote succes niet meer. Dat is soms wel zuur.” Stilte. Zachtjes op zijn thee blazend vervolgt hij: “Het is vooral zuur omdat het zijn achternaam is die op de winkels en kleding prijkt. Eens in de zoveel tijd stuur ik een grote doos vol kleding op naar mijn familie in Napels. Voor mij is het leuk dat er ‘Cavallaro’ op de kleding staat, maar het is ook hun achternaam.”

Wat had je hem nog graag willen laten zien?

“Hij nam zijn vrienden soms mee naar de winkel in Haarlem. Dat was toch zijn stad. ‘Kijk dit is van mijn zoon’, zei hij dan. Vorig jaar zijn we naar een nieuw hoofdkantoor gegaan met alleen al 30 man achter de schermen. Dat had ik graag met hem willen delen.”

Zijn stad was Napels. Is dat ook jouw stad?

“Napels is de mooiste en lelijkste stad ter wereld”, zegt hij resoluut. “Ik kom er al sinds ik drie maanden oud ben. Nog steeds bezoek ik regelmatig mijn tante. Als ik de deur bij haar wil uitlopen waarschuwt ze me al. Melodisch somt hij haar riedeltje op: ‘Let op waar je je portemonnee stopt én waar is je telefoon én als ze je op straat iets aanbieden, dan koop je het niet. Het doosje lijkt wel op dat van een Iphone, maar als je thuiskomt blijkt er een aardappel in te zitten. En, en, en.’ Voor haar ben ik het verre Nederlandse neefje. Maar Napels is ook een hele mooie, passievolle stad.” Hij begint aanstekelijk te lachen. “Lekker hoor, dat geschreeuw op straat. Er gebeurt altijd wel iets.”

Je haalt je inspiratie uit Milaan en Napels. Wat is het grote verschil?

“Milaan is de stad van de ontwerpers, het is wereldser. Napels is mediterraan en sartorialer. Milaan heeft meer kleur en Napels is een strak blauw pak met wit overhemd, donkerblauwe das, wit pochet en gepoetste schoenen. Plots herinnert hij zich iets: “Ik was eens getuige op de bruiloft van een Napolitaanse vriend. De dag ervoor scheurde ik uit mijn pak”, grinnikt hij. “Ik had nog maar twee alternatieven. Het beste was een middenblauw pak met bruine schoenen en een paisley das. Dat heb ik dus de hele trouwerij moeten horen: ‘Hé maffioso’ en ‘Wanneer ga je optreden?’

Je hebt nu 13 winkels in Nederland, zou je ook een Cavallaro in Napels willen openen?

“Ik heb altijd geroepen dat ik overal succes kan hebben, behalve in Italië. Misschien is dat een stukje onzekerheid van mij. Uiteindelijk zou het de cirkel rondmaken, maar het heeft nu geen prioriteit. We zijn nog niet zó lang bezig en willen eerst voet aan de grond krijgen in België en Duitsland. Ik ben eigenlijk bezig aan een jongensboek waar nog elke dag een bladzijde bijkomt.”

 

Gepubliceerd in De Smaak van Italië januari 2015