“Ik werk om te racen en ik race om te leven”

Negentien auto’s staan in de garages van projectontwikkelaar Hans Hugenholtz (62) waaronder een Ford GT40, een Ferrari Drogo 250 GT, een Lotus Elan 26R en een Lola T70. De zoon van voormalig circuitontwerper en directeur van Circuit Park Zandvoort heeft bijna zevenhonderd races achter zijn naam staan.“Voordat ik mijn rijbewijs haalde had ik al in meer dan driehonderd verschillende auto’s gereden.”

Hoe oud was u toen u voor het eerst auto reed?

“Ik was negen jaar toen ik het van mijn vader leerde. We reden in een prototype van een Daf 600 op het circuit in Zandvoort. Na twee rondjes is hij uitgestapt en zei:‘rij maar verder’. Elke tien dagen kreeg hij weer een andere auto om te testen en daar reed ik mee op het circuit. Voordat ik mijn rijbewijs haalde, had ik al in meer dan driehonderd verschillende auto’s gereden. Toen ik twintig was, reed ik mijn eerste race met een Simca Rally. Ik eindigde als zevende en reed onder een andere naam. Willem Bever, van de Fabeltjeskrant. Maar ja, na twee races stond in de krant wie achter die naam schuil ging. Nou, toen was het even vechten thuis. Mijn moeder vond het helemaal niks. Ze had me opgegeven voor golf, want ze voelde al lang aankomen dat ik wilde racen.”

 

Uw collectie bestaat grotendeels uit raceauto’s uit de jaren zestig, waaronder een Ford GT40, een Ferrari Drogo 250 GT, een Lotus Elan 26R en een Lola T70. Racet u alleen in auto’s uit die tijd?

“Ja. Hoewel, ik heb ook nog een Bentley 4,5 liter uit 1928. Er zijn weinig vooroorlogse auto’s die ik mooi vind. En veel daarvan rijden niet goed. Maar die Bentley is echt een kanon. Ik ben er afgelopen najaar nog mee naar Goodwood Revival gereden. Heerlijk rijden, lekker open, een grote uitlaat eronder en veel lawaai. Dat is leuk! Maar meestal race ik met auto’s van vóór 1966. Dat is de leukste periode en daar zijn veel evenementen voor. Formeel loopt historisch racen ook tot die periode. In het speciaal hou ik van GT’s en sportscars omdat dit de snelste auto’s zijn. Ik moet gewoon in auto’s rijden die 400 tot 500 pk hebben, dan is het pas leuk.”

 

Over leuk gesproken. Wat zijn de absolute hoogtepunten uit uw racecarrière?

“In 1999 haalde ik een podiumplaats op Le Mans met de Viper. Dat is uniek. Ik werd derde in de GT klasse, zelfs tegen de fabrieksauto’s. Dan sta je daar met tweehonderdduizend man aan je voeten. Dat voelt als een enorme overwinning, écht een verschrikkelijke kick.”

 

Niet alle races op Le Mans waren een pretje. In 2006 stond uw Ford GT40 in brand. Wat gebeurde er?

“Er was een brandstoflek ontstaan door een rubberen veiligheidstank waar de lijm van losliet. De benzine zat in het chassis. De steekvlam kwam binnen in de auto. Ik zag niks meer, maar wist nog precies waar ik was. Je moet snel handelen: de blusser aanzetten, de motor en de pompen afzetten en stoppen. Dat kost alleen wel wat tijd om met 280 km/u af te remmen. Ik ben eruit gerold. Het brandde nog bij mijn voeten en mijn gezicht was derdegraads verbrand. Gelukkig is dat goed behandeld en heb ik er niets aan overgehouden. Het was een technisch mankement waar ik gewoon pech mee heb gehad.”

 

Leeft u om te racen of racet u om te leven?

“Ik werk om te racen en ik race om te leven. Leven moet uit meer dingen bestaan dan racen, maar het speelt wel een belangrijke rol. Ik vind het leuk en ik ben er goed in. Je ontmoet daardoor vreselijk leuke mensen, die allemaal met dezelfde hobby bezig zijn. Dat is gewoon super gaaf.”

 

U heeft een vooroorlogse Bentley en deze Continental GT Speed. Waarom Bentley?

“Het is een heel mooi en legendarisch merk. Ik heb de GT Speed gekocht omdat het een hele goede auto is. Hij heeft 610 pk, gaat 320 km/uur en heeft een geweldige wegligging. Ik wilde een sportieve auto die ik ook zakelijk kon gebruiken en waar je veel kilometers mee kan maken. Voor mij is dit echt de ideale keuze.”

 

En om de vele kilometers nog iets sneller af te leggen, heeft u ook een jet ter beschikking. Wat hebben de jet en de Bentley gemeen?

“Een stuk vrijheidsgevoel. Naast auto’s heb ik ook een passie voor vliegtuigen. Dit is een Embraer Phenom 100. Hij is snel en ziet er geweldig uit, net als de Bentley. Beiden zijn echt een ‘value for money’. Ik gebruik de jet voornamelijk voor mijn importbedrijf, dat doe ik naast projectontwikkeling. Import van helmen, motorfietskleding, alles in de tweewielerbranche. Daarvoor vlieg ik regelmatig naar Engeland, Duitsland en Italië.”

 

Gaat het zo slecht in de projectontwikkeling dat u moet uitwijken naar andere activiteiten?

“Ik heb er altijd andere zaken naast gedaan zoals het investeren in mijn importbedrijf en in Spyker. Ik bouwde veel kantoorgebouwen, maar die markt is dood. De Astro Toren in Brussel is het laatste grote kantoor dat ik in 2008 verkocht. Aan de Côte d’Azur deed ik in woningen. Dat bedrijf heb ik van de hand gedaan. Nu zijn we onder anderen al twintig jaar bezig met een groot project in Hilversum. Het gaat om ongeveer tweehonderdveertig dure appartementen op een landgoed. Daar krijgen we nu de bestemmingswijzigingen en bouwvergunning voor. Het is zeer frustrerend dat het zo lang duurt. Dat is te wijten aan allerlei ontwikkelingen: een streekplan wijziging, allerlei ontheffingen en rapporten die nodig waren en vooral veel onkunde in de beginjaren.”

 

Vervelend om na twintig jaar in een ineengestorte markt terecht te komen…

Met een licht cynische toon:“Ja, dat schiet op inderdaad. Dus we gaan ook niet meteen bouwen. Over een jaar of drie à vier zal die markt wel weer aantrekken door fiscale maatregelen en door ingrijpen van de overheid. Mensen willen op een gegeven moment toch verder en zich niet continue laten ringeloren door de markt. Maar dan moet het van onderaf wel weer op gang komen.”

 

Wat vindt u ervan dat de hypotheekrenteaftrek wordt beperkt?

“Ik vind dat ze in de huidige markt de hypotheekrenteaftrek helemaal niet moeten aanpakken. Er zijn al zoveel beperkingen opgelegd waardoor banken anders met het verstrekken van hypotheken om moeten gaan. Als je dan ook nog eens de financiële aftrekbaarheid gaat beperken, wordt de kans voor jongeren om een hypotheek aan te trekken steeds kleiner. Er zijn ook wat gedachten om de overdrachtsbelasting af te schaffen. Dat moet heel snel gebeuren. Dat is een penalty op verhuizen.”

 

Naast projectontwikkeling heeft u veel nevenactiviteiten. Zo was u president-commissaris van Spyker. Eén jaar geleden bent u en de gehele top van het bedrijf opgestapt. Waarom?

“Wij wilden een andere richting op dan de CEO, Victor Muller. We hadden geen vertrouwen in de richting die hij op wilde. Inhoudelijk mag ik daar niet meer over kwijt.”

 

In een interview wat ik twee-en-een-half jaar geleden met u afnam zei u over Victor Muller: “Ik vind dat je iemand moet waarderen die het onmogelijke probeert. Je moet een beetje gek zijn om zo te kunnen denken. Maar uiteindelijk, door door te zetten bereik je heel veel meer dan andere mensen. Is het gek, is het geniaal? Dat zit heel dicht bij elkaar, hè?!” Bent u erachter welke van de twee het is:‘gek’ of ‘geniaal’?

Bulderlach. Stilte. “Ik denk nog steeds dat Victor heel knap is op een hele hoop gebieden: het creëren, het bedenken, structuren in elkaar draaien en mensen vinden. Alleen heeft hij wel anderen nodig die hem voor een deel aanvullen en daar is hij gewoon niet goed in. Victor is een eenling, iemand die zijn eigen route volgt en zelden naar andere mensen luistert. Daardoor komt hij misschien ook wel verder dan anderen, maar het kan ook de bottleneck zijn.”

 

Wat voorziet u nu dat er met het bedrijf gebeurt?

“Victor gaat gewoon strijdend ten onder. Die blijft nog schietend tien meter onder water liggen. Toch denk ik nog steeds dat je iets van Spyker kan maken. Het zal alleen niet makkelijk worden. Tien jaar geleden was de concurrentie nog niet zo groot. Nu zijn er heel veel nieuwe auto’s die verschrikkelijk slim zijn gebouwd en heel snel zijn. Maar ja, als je te weinig geld krijgt van de partners die je erbij haalt om te overleven wordt het moeilijk.”

 

Gepubliceerd: Carros nr. 1, 2013: Interview met Hans Hugenholtz

Fotografie: Clemens Rikken