“Ik herken het gevoel van een ziek kind”

Het is voor KRO-presentator en autocoureur Rob Kamphues (52) niet moeilijk om zich in te leven in ernstig zieke kinderen. Hij heeft zijn leven te danken aan de hartoperatie die hij onderging toen hij drie jaar oud was. Nu neemt hij, met zijn Stichting Groot Hart, kinderen mee voor een ritje in zijn raceauto, om ze even te laten beseffen dat ze niet alléén maar ziek zijn.

“Vaak zeggen mensen dat het altruïstisch is om aan goede doelen te geven. Maar deze stichting heb ik toch echt voor mezelf opgestart. Het is heerlijk om die blije gezichten van kinderen en hun ouders te zien. Is het zo verkeerd dat ik er blij van word? Even een dag vrolijkheid in plaats van ziek zijn. Een tijd geleden reed ik met een gezin rondjes op het circuit. Ze waren net terug uit een kliniek in Duitsland en konden deze dag precies inplannen voordat ze weer terug moesten. Een ziek kind drukt zwaar op een familie. En zo’n dag is niet alleen fijn voor het kind, ook de ouders zijn er even tussenuit.”

“Toen ik klein was, draaide alles om mij. Vanaf het moment dat ik geboren werd, had ik een ernstig zuurstoftekort. De dokters dachten dat ik een permanente longontsteking had. In het ziekenhuis zeiden ze tegen mijn moeder: ‘Hecht je maar niet te veel aan dit jongetje, het is geen blijvertje’. Dat is haar godzijdank niet gelukt. Pas toen ik bijna doodging ontdekten de dokters dat het geen longruis, maar hartruis was. Het bleek om een ‘open Ductus Botalli’ te gaan. Dat betekent dat er een klepje bij je hart, dat bij je geboorte dicht hoort te gaan, open blijft staan. Op mijn derde werd ik geopereerd en heeft de chirurg een nieuw plastic klepje in mijn hart gezet. Ik herinner me nog alles van die periode in het ziekenhuis, zelfs het moment van bijkomen. Maar wat me het meest bijstaat is dat mijn moeder me aan het einde van elk bezoekuur een Matchbox autootje gaf. Zodra ik dat had uitgepakt en blij naar haar opkeek, was ze al weg. Ze vond het vreselijk om afscheid te nemen. Dat vond ik heel erg. In mijn volwassen leven heb ik er enorme verlatingsangst aan overgehouden. Maar het waren de jaren zestig en er was überhaupt nog geen sprake van psychische begeleiding.”

“Ik herken het gevoel van de zieke kindjes, met wie ik nu rondrijd. Ze staan met hun rug tegen de muur en tegelijkertijd hebben ze een enorme vechtlust. Een tijdje terug ging ik met een jongetje karten. Hij wilde geen helm op, want zijn hoofd was opgezwollen van de medicijnen en dat deed zeer. Met een infuusje in zijn neus stapte hij in. ‘Langzaam, hè, héél langzaam!’, zei hij tegen me. ‘Weet je wat’, zei ik tegen hem, ‘als je harder wilt steek je maar je duim omhoog’. Duim omhoog, weer duim omhoog, totdat het vol blazen was. Op een gegeven moment gaf hij zelf aan dat dit zijn laatste rondje was.”

“Maar hij haalde wel alles eruit wat erin zat. Dat is erg herkenbaar, alhoewel ik daar, op zijn zachtst gezegd, in ben doorgeschoten. Als tiener durfde ik niks en haatte mezelf daarvoor. Ik ben heel bang en voorzichtig opgegroeid. Het was verboden in bomen te klimmen of naar buiten te gaan als het regende. Mijn moeder nam me mee naar de braderie met oude ambachten, terwijl mijn vader met mijn broer naar het circuit ging. Dat wilde ik ook! Als tegenreactie deed ik alles gaan wat ik eng vond. Iets durven was voor mij het ultieme bewijs van mijn bestaansrecht. ‘Ik mag wél bestaan. Kijk maar, hier ben ik!’”

“Mijn tv-programma’s waren de overtreffende trap van roekeloosheid. Dat was de keerzijde van de medaille. Mijn ziekte gaf me doorzettingsvermogen, maar ik wist ook niet van ophouden. Voor het programma ‘De Acht Plagen’ liet ik me levend begraven, me opsluiten in een brandend huis totdat de brandweer ter plekke was, temde ik stieren en beklom ik een gebouw op IJsland bij min 40 graden gevoelstemperatuur. Ik had een enorme bewijsdrift en wilde laten zien dat ik geen klein, zielig jongetje meer was, maar een stoere vent.”

“Ik deed dingen die ik niet moest willen durven, maar ook dingen die ik wél wilde durven. Autoracen is een goed voorbeeld daarvan. Mario Andretti, een bekende Amerikaanse coureur, zei ooit: ‘Autocoureurs die niet bang zijn, zijn ontzettend snel, maar gaan meestal ook net iets eerder dood.’ Twee jaar geleden reed ik op het circuit van Imola, in Italië. Honderd meter voor de Tamburello bocht, waar de Formule 1 legende Ayrton Senna om het leven kwam, rem je normaal af, maar het leek alsof er iets niet klopte. Letterlijk gingen toen de woorden van Andretti door me heen. Dus trapte ik al bij 150 meter voor de bocht op de rem, maar trapte er dwars doorheen. Een technisch mankement. Voor mij is dat het bewijs dat ik inmiddels beter naar mijn angsten luister.”

“Met de zieke kindjes rijd ik natuurlijk veel minder hard. Het gaat voor hen om de hele belevenis. Ze worden ontvangen en krijgen een rondleiding door de pits. De hele dag kunnen zij en het gezin alles van dichtbij meemaken. Afgelopen maand hadden we een evenement tijdens de GTC City Race in Etten-Leur en dan proberen we iets extra’s te doen. William Spaaij, die Shrek in de musical speelde, had zich voor de gelegenheid nog éénmaal verkleed om aanwezig te zijn en mee te rijden. Dat is leuk voor die kinderen. Ze krijgen een poster mee van de raceauto met een handtekening erop, een oorkonde dat ze geslaagd zijn voor het meerijden en een ’t shirt en petje mee. De coureurs praten tussendoor veel met de ouders. We kunnen ze geen medisch advies geven, maar wel een leuke dag en een luisterend oor bieden.”

Dit artikel is gepubliceerd in Arts&Auto, oktober 2013

Fotografie: Bas Beentjes