Hart van Steen

‘Je kon ijscoman of terrazzowerker worden in onze streek, meer smaken waren er niet’, zegt Mario Galante die in navolging van zijn vader de wereld van het marmer indook. Inmiddels heeft Mario’s zoon, Fabio, de liefde voor het vak overgenomen.

‘Trek je jas aan, het is er koud’, waarschuwt Mario me als we naar de werkplaats lopen. Op het eerste gezicht zou je niet zeggen dat deze man jarenlang noeste arbeid tussen het natuursteen heeft verricht. De Armani jeans, zijn keurige loafers en het overhemd met de wollen trui erover, straalt de charme van een Italiaanse man op leeftijd uit. Zijn krachtige handen verraden het ambachtelijke werk. Dezelfde kracht ligt ook verscholen in zijn lichaamshouding en in zijn blik. Rustig lopen we van de werkplaats naar het magazijn. In lange rijen staan enorme platen van 300 kilo per stuk te wachten om bewerkt te worden. Variërend van wit en blauw tot groen, grijs, geel, roze en paars. Mario kent ze allemaal. ‘Dit hier, is Giallo Veneziano’, wijst hij op een zandkleurige, sterk geaderde, plaat. De steengroeven lijken in zijn hart gekerfd te staan, als hij er met een sterk Italiaans accent over praat. Zowel de Rosa Porino uit Sardinië als de Bianco Carrara worden even aangeraakt. ‘En die rode steen daar, die komt uit Verona.’

Aardbeving

Inmiddels is Mario 74 en heeft zijn zoon Fabio (40) zijn werk overgenomen. ‘Ah, daar is hij’, zegt Mario. Met snelle passen komt Fabio de werkplaats in gelopen. Een Brabantse Italiaan met hippe jeans, gitzwarte lokken en een blik die vertelt dat hij druk is. Hij stelt dan ook meteen voor om naar achteren te lopen. ‘Dit moet je echt gezien hebben’, zegt hij bijna samenzweerderig. Ik kijk mijn ogen uit naar het agaat uit India en de gedolven onyx uit de Mexicaanse woestijn. Bij het Marokkaanse gesteente blijft hij wat langer staan en haalt zijn hand over de glanzende plaat. ‘Dit is een stuk uit de zeebodem van 60 miljoen jaar oud’, zegt hij. De steen is bezaaid met fossielen van kokervormige, gedraaide schelpen tot kleine rondjes die ik niet thuis kan brengen. ‘Dat is riet’, verduidelijkt hij. ‘En zie je’, hij wijst op een soort streep, ‘er heeft blijkbaar ooit een aardbeving plaatsgevonden’, knipoogt hij. Er verschijnt een glimlach op zijn vaders gezicht.

‘Toen was het raak’

‘Mijn vader was ook een terrazzowerker, zoals bijna alle mannen in Friuli dat destijds waren’, zegt Mario terwijl we weer de warmte opzoeken van de winkel en onze jassen uittrekken. Terwijl Mario en ik aan tafel schuiven, pleegt Fabio nog wat telefoontjes. ‘Je kon ijscoman of terrazzowerker worden in onze streek, meer smaken waren er niet’, gaat senior verder. ‘Maar er was zo weinig werk en een overschot aan terrazzowerkers, dat mijn vader naar Denemarken vertrok om zijn vak uit te oefenen. Daar leerde hij mijn moeder kennen. Zij was de kokkin van de Italiaanse consul en ging mee op al zijn handelsreizen, totdat ze mijn vader tegenkwam’, lacht hij. ‘Toen was het raak.’ Vier maanden nadat Mario werd geboren, keerde de familie terug naar Italië, Sequals om precies te zijn, een dorpje tussen Venetië en de grens met Oostenrijk. Na de middelbare school schreef Mario zich in bij de enige vervolgopleiding die de streek rijk was; een opleiding tot terrazzowerker op de mozaïekschool.

Lichtstad

‘In mijn laatste jaar kwam er een Italiaan het klaslokaal binnen die op zoek was naar twee jongens die in Leiden wilden werken. En zo kwam ik op 10 oktober 1959 samen met een vriend aan in Nederland. Ieder met twee koffers in onze handen. Eén met werkkleding en één vol gereedschap. Ik heb honderden woningen van terrazzo hallen, badkamers en keukens voorzien. Tot aan het Anne Frank Huis toe.’ Hij slaat ondertussen een fotoalbum open. Er komen prachtige zwart-witfoto’s voorbij van de gastgezinnen waar hij verbleef. Grote families, waarbij een trits vrouwen op stoelen zitten met babies op hun schoot en mannen die achter hen staan te ginnegappen of uitdagend in de lens kijken. Foto’s van feestjes en kermissen, maar ook van een jonge Mario die op de bouw staat of vloeren aan het walsen is. ‘Fysiek moest je geen beperkingen hebben’, herinnert Mario zich. ‘Het was lichamelijk zwaar werk. We kwamen overal, van de Coöperatieve Condensfabriek in Leeuwarden, de stationshal van Tilburg, de verschillende vestigingen van de Vroom&Dreesman en de Jamin, tot aan het Diakonessenhuis in Eindhoven.’ In de Nederlandse lichtstad voelde hij zich direct thuis. ‘De Brabantse cultuur komt nog het meest overeen met de Italiaanse’, verklaart hij zich nader. Ondertussen schuift zijn zoon weer aan tafel, die zijn wenkbrauw optrekt. ‘Waarom?’, vraagt hij. Mario geeft een impressie van de Brabantse gemoedelijkheid en geeft zijn zoon een klap op zijn schouder: ‘Hé jongen, hoe’st nou? Alles goed, kom je eten?’ Fabio begint hard te lachen. ‘Ze nemen je op alsof je één van hen bent’, legt Mario uit. ‘Zo gastvrij zijn ze in Italië ook.’ ‘Ja, dàs waar’, zegt Fabio met een stevig Brabants accent.

Per la nonna

Ik laat mijn blik even afglijden naar de vloer, die bestaat uit een patroon van sierlijke krullen in zwart en wit marmer. Fabio ziet me kijken en zegt: ‘Die vloer hebben we er onlangs in gelegd. Je wil toch laten zien wat je kunt.’ Fabio is duidelijk verder gegaan dan waar zijn vader is gebleven. Mario: ‘Vroeger ging ik voornamelijk naar de groeves in Italië, Spanje en Portugal. Mijn zoon reist nu de wereld rond voor de mooiste steensoorten.’ ‘Het leuke is dat er in Spanje en Portugal weinig veranderd is sinds papa er kwam’, zegt Fabio. Als jongen ging ik vaak mee naar die groeves en dan viel het op dat er Italiaans werd gesproken. Het Italiaans is nog steeds de taal van de natuursteen, de taal die in die groeves wordt gesproken. In mijn vaders tijd kwamen er natuurlijk alleen maar Italianen om blokken te kopen. Pas zo’n dertig jaar later, in de jaren ’90, kochten ook niet-Italianen natuursteen op.’ Op mijn vraag, waarom ook hij voor hetzelfde vak heeft gekozen, zegt hij: ‘Ik ben opgegroeid tussen het marmer. Dat ging vanzelf zo. Afgelopen zomer was ik op vakantie in Sequals en kwam ik mijn eerste knutselwerkje tegen. Een plateautje van natuursteen met een rechtopstaand kantje en een afdakje met een foto van mij erin. “Per la nonna”, voor oma, stond erop.’ Zijn ogen knijpen samen als hij lacht.

Loslaten

‘Fabio is het bedrijf gaan uitbreiden met geavanceerde machines en heeft een nieuwe methode van zagen geïntroduceerd zodat de structuur in elkaar overloopt’, zegt Mario trots. ‘Op een gegeven moment moest ik mijn bedrijf loslaten en het overdragen aan mijn zoon. Dat is nou eenmaal de natuurlijke gang van zaken als je ouder wordt. Er kan maar één kapitein op het schip zijn.’ ‘Ik vind dat hij dat goed heeft gedaan’, zegt Fabio terwijl hij naar zijn vader kijkt. Mario lacht en vervolgt: ‘Ik ben hier nog elke dag, maar als het kan ga ik eens per maand terug naar Sequals. Dan pluk ik kaki’s en peren in het najaar of vijgen en kersen in het voorjaar en maak ik er jam van. Al mijn vrienden, die vroeger ook naar het buitenland zijn gegaan om werk te vinden, keren nu terug. Gezellig hoor, dan spreken we af voor een wijntje of zoeken we het restaurantje met de beste polenta, cinghiale (wild zwijn) of gebakken kaas op. In Nederland spreken we onderling nog nauwelijks Italiaans. Maar met hen spreek ik nog het Friulaans, zeg maar het Fries van Italië. Voor Italianen een onverstaanbare taal. Het is een mengelmoes tussen het Venetiaans, Sloveens en Duits.

Groots leven

Fabio kijkt me onderzoekend aan, als ik hem vraag hoe hij zijn Italiaanse roots in leven houdt. ‘Is dat noodzakelijk dan?’, vraagt hij. ‘Ik denk namelijk van niet. Ik heb inderdaad Italiaanse roots, maar ik woon in Nederland. Sommige dingen aan mij zijn Italiaans, mijn temperament, een bepaalde vorm van dominantie, maar ook vrijgevigheid. Het gaat om de mens zelf, niet de afkomst die je in leven wil houden. Ik vind het heerlijk om in de zomer naar het huis van mijn ouders in Sequals te gaan. Daar laad ik mijn batterij weer op. Maar eenmaal opgeladen moet je iets met die energie kunnen doen. Dat kan daar niet, dus keer ik weer helemaal geïnspireerd en vol goede ideeën terug naar Nederland.’ ‘Het leven wat je daar leidt, is een gedempt leven’, vult Mario aan. ‘Je kunt er niets groots van maken. Hier in Nederland kan dat wel.’ Het is even stil voordat hij doorgaat: ‘Mijn kleinkinderen spreken geen Italiaans, maar ze zullen vast, als ze volwassen worden, op zoek gaan naar hun Italiaanse roots. Wie weet komen ze ook wel in de natuursteen terecht en is er een vierde generatie terrazzieri geboren, maar dat hoeft niet. Ze moeten doen waar ze gelukkig van worden.’ Dat laatste benadrukt hij nog een keer als hij me in mijn jas helpt. ‘Iedereen moet doen waar hij of zij gelukkig van wordt, basta.’

Dit artikel is in De Smaak van Italië verschenen januari 2016